dinsdag 27 november 2012

De ritmes van burgerinitiatieven

Door Yvonne Witter

Lichte gemeenschappen, zo noemde professor Marli Huijer, bijzonder hoogleraar Filosofie aan de Erasmus Universiteit Rotterdam geïnspireerd door socioloog Zigmund Baumann, de huidige burgerinitiatieven. ‘Je levenslang op iets vastleggen is niet meer van deze tijd’, sprak zij onlangs tijdens de jaarvergadering van Stichting Het Maagdenhuis met als thema: Van ontmoeting naar betrokkenheid.

Marli Huijer
'We willen na enige tijd verder trekken. Nieuwe mensen ontmoeten en nieuwe ervaringen opdoen.’ Lichte gemeenschappen verschillen hiermee van zwaardere gemeenschappen, zoals kerkgemeenschappen en buurtverenigingen. Daar was een burger doorgaans levenslang lid van. In tijd en ruimte zaten deze aan elkaar verbonden. De wederkerigheid was een vanzelfsprekend goed. Dat vanzelfsprekende ontbreekt in lichte gemeenschappen. Jonge ouders genieten bijvoorbeeld van faciliteiten die door anderen in de buurt zijn opgezet. Je staat niet bij elkaar in het krijt, je mag ervan profiteren.

Betrokkenheid
Maar zijn deze lichte gemeenschappen dan niet te vluchtig? Kun je betrokkenheid garanderen? Huijer heeft hier een duidelijke mening over. Zij concludeert dat als er veel doorstroom is, dat niet wil zeggen dat er geen betrokkenheid is. Zij brengt een nieuwe denkrichting in, namelijk denken vanuit ritmes. Daar heeft zij veel onderzoek naar gedaan en zij past het nu toe op burgerinitiatieven. Ritmes zijn volgens haar herhalingen in tijd en ruimte. De gebeurtenis die herhaald wordt, ziet er steeds anders uit. Zo kan een buurtmoestuin wekelijks door mensen onderhouden worden. Maar dat hoeft niet dezelfde persoon te zijn. En de activiteit kan eveneens verschillen. Soms komen mensen daar koffie drinken, soms expliciet om elkaar te ontmoeten en soms om te oogsten en te spitten. Een paar mensen zijn nodig om het ritme vast te houden. Zij kunnen er wel een keertje mee ophouden, want dan komen er anderen die het overnemen. De sociale betrokkenheid blijft wel, aldus Huijer. Sociale betrokkenheid is het gevolg van een veelheid van opkomende en verdwijnende burgerinitiatieven en niet zozeer het gevolg van stabiele activiteiten.

Fondsen
Zij had wel wat tips richting fondsen: geef dergelijke burgerinitiatieven periodiek geld zodat de betrokkenheid de kans krijgt zich te stabiliseren. En heb oog voor deze lichte gemeenschappen en belast hen niet met te zware procedures. Ik denk dat dit ook voor anderen kan gelden, voor organisaties als de gemeenten en aanbieders. Geef de initiatieven de kans zich waar te maken, belast hen niet maar ondersteun hen en voel hun ritmes aan.

Kwetsbare burgers
Ritmes geven burgerinitiatieven bestendigheid ondanks alle vluchtigheid. Deze insteek van professor Huijer gaf me een verhelderend inzicht om tegen burgerinitiatieven aan te kijken. Toch blijf ik steeds met de vraag zitten of burgerinitiatieven wel voor iedereen toegankelijk zijn en blijven. Kunnen kwetsbare burgers ook mee in de ritmes van deze lichte gemeenschappen? Deels kreeg ik antwoord door mijn tafelgenoten die meenden dat burgerinitiatieven anderen meetrekken, ook mensen die anders niet hadden gedurfd. En dat er ook genoeg burgerinitiatieven van kwetsbare burgers zijn, maar wellicht minder zichtbaar? Hoe dat zit in de wereld van wonen, zorg en welzijn? En hoe zit het met de ritmes bij andere organisatievormen zoals coöperaties (waar onlangs een boeiende middag over is georganiseerd, zie verslag Themamiddag coöperaties

3 april Lokale kracht
We hopen die vragen mee te nemen op het congres Lokale kracht dat wij op 3 april organiseren. We zien namelijk graag dat de lichte gemeenschappen openstaan voor alle burgers in de maatschappij, zodat de ritmes samen een harmonisch geheel kunnen vormen.

Meer informatie

Door Yvonne Witter, adviseur bij het Aedes-Actiz Kenniscentrum Wonen-Zorg. Binnen het Kenniscentrum richt zij zich op de thema's: klantparticipatie, woonvariaties, kleurrijk wonen, welzijn en zorg en buur(t)projecten.

woensdag 17 oktober 2012

Kracht moet wel een kans blijven krijgen

Je kunt er niet meer omheen: lokale kracht - hoe divers ook - is helemaal 'in'! Een mooie en hoopgevende ontwikkeling die recht doet aan de veranderende relatie tussen de samenleving en overheid, aan de mondige en 'diverse' burger en aan de huidige tijd van bezuinigingen.

Begin oktober waren er twee grote bruisende manifestaties rond het thema. Zo was er De wijk verdient het, een bijeenkomst van Aedes en het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in partnerschap met het Landelijk Steunpunt Aandachtswijken, Kennisland en Bouwstenen voor Sociaal. En een manifestatie van Kracht in Nederland, een beweging die maatschappelijke initiatieven rond thema´s als integratie, krimp, sport en bewegen, ouderen, wonen en duurzaamheid een landelijk podium wil bieden.

Beide bijeenkomsten hadden eigen accenten. Bij de één stonden wijkondernemingen centraal, dus ondernemende bewoners die in hun buurt zélf het heft in handen nemen. Bij de ander was het thema nog breder ingevuld, maar wat ze gemeen hadden was dat het ging om burgerkracht. En dat het uitwisselen van kennis en ervaring centraal stond. Op beide bijeenkomsten kon kennis genomen worden van lessen die geleerd zijn tot nu toe. Dat is uitermate van belang om kracht een kans te blijven geven.

Zo makkelijk is het niet
Want het is niet eenvoudig om een initiatief te realiseren. 'Er komt meer bij kijken dan ik dacht´, aldus een deelnemer op de bijeenkomst 'De wijk verdient het', afkomstig uit Enschede en bezig met het opzetten van een buurtbeheerbedrijf. 'En dat komt voornamelijk omdat je met veel verschillende partijen om tafel moet zitten. Dat kost veel tijd en energie. Maar gelukkig loont het wel.´

Community Lovers Guide http://communityloversguide.org/
Hetzelfde was te horen op de conferentie van 'Kracht in Nederland'. Een betrokkene van de 'Community Lovers Guide', gidsen met een overzicht van initiatieven van burgers in verschillende steden, vertelt: 'Het kost al veel tijd en moeite om alle projecten op te sporen voor de gids, laat staan om er eentje op te zetten. Maar door de gids kunnen initiatieven elkaar nu vinden. Want velen weten niet van elkaars bestaan af'. Dat is direct een valkuil voor burgerinitiatieven: langs elkaar heen werken of het wiel steeds opnieuw uitvinden. Of wordt het dé norm in de wereld van wonen, zorg en welzijn? 'Heb jij dan nog geen initiatief opgezet in jouw wijk?' Misschien is dat ook wel helemaal niet erg.

Loslaten
Minister Spies deed in haar speeches op beide conferenties niet voor niets de oproep om vertrouwen terug te geven en los te laten. Zij riep op om als overheid, corporatie of andere maatschappelijke organisatie ruimte te bieden aan initiatieven van buurtbewoners. 'Niet overnemen, maar initiatieven honoreren. Vertrouwen geven aan mensen, buurten en wijken'. Natuurlijk ziet zij ook dat er obstakels zijn. Zij gaf burgers en organisaties de tip om concrete wetten en regels te noemen die initiatieven in de weg zitten of zelfs namen van onwillende ambtenaren. 'Namen en rugnummers noemen, dat is de enige oplossing', aldus Spies. Het vraagt ook een andere attitude. 'We moeten soms op onze handen zitten', zegt de minister. 'We zijn liever een bondgenoot van een maatschappelijk initiatief. Als het iets is van de mensen zelf, dan zorgen zij er ook zelf voor.'

Bij 'De wijk verdient het' pleitte Marc Calon, voorzitter van Aedes, er voor om soms géén beleid te maken. 'Er zit meer kracht in mensen dan we er uit halen.' En hij geeft aan dat we moeten accepteren dat er soms fouten gemaakt worden. Een betrokkene van het Amersfoortse Soesterkwartier, een succesvolle wijk,  meent dat extra geld niet altijd helpt bij het vormgeven van een initiatief. 'Geld maakt meer kapot dan drank. Bij teveel subsidie gaan mensen achterover leunen en laten zij hun creativiteit schieten.'

Sterke bewoners verbinden aan kwetsbaren en andersom
Eén van de workshops van de bijeenkomst 'De wijk verdient het' stelt de vraag over eigenaarschap centraal en geeft precies aan waar organisaties, zoals corporaties hun 'nieuwe' rol kunnen invullen. Corporatie Woonbedrijf uit Eindhoven gaf een seniorenorganisatie het beheer over een gebouw, zolang zij maar aan drie voorwaarden voldeden: een plan hebben, inkomsten genereren en een organisatievorm in het leven roepen. De senioren hebben een stichting opgericht, een plan gemaakt met activiteiten en doelen en vervolgens het pand onderverhuurd aan een andere organisatie. De corporatie was facilitator maar verder heeft de groep het zelf gedaan.

Dit initiatief functioneert prima bij een groep sterke burgers, maar bij kwetsbare burgers is het zaak om sterke bewoners in te schakelen, die wel dicht bij de groep staan. Dat was één van de conclusies van de workshop. En een hele belangrijke, want in de hele lokale kracht-hype staan kwetsbare burgers soms in de schaduw, terwijl bij hen ook veel kracht en kunde zit. Dat kan aangeboord worden, maar daar is soms meer maatwerk of ondersteuning voor nodig. Maatschappelijke organisaties kunnen hier een grote rol vervullen, maar ook burgers.

Kortom, beide conferenties bruisten van energie, optimisme en daadkracht. Lokale kracht, wijkondernemingen, burgerinitiatieven: ze passen in de huidige tijdsgeest en zijn alom aanwezig. Als maatschappelijke organisaties en de overheid faciliteren; dingen waar nodig los kunnen laten of juist ondersteunen; de burgers het gevoel hebben dat zij niet alleen staan in hun ideeën; de vaart in de initiatieven kan blijven (dus wet- en regelgeving versoepelen); kwetsbare burgers niet vergeten worden, maar op maat ondersteund worden; nagedacht wordt over het borgen van initiatieven... dan kunnen deze initiatieven uiteindelijk een prachtige 'bestendige' plek krijgen. Kracht moet wel een kans blijven krijgen!
Meer weten?


Door Yvonne Witter, adviseur bij het Aedes-Actiz Kenniscentrum Wonen-Zorg. Binnen het Kenniscentrum richt zij zich op de thema's: klantparticipatie, woonvariaties, kleurrijk wonen, welzijn en zorg en buur(t)projecten.

woensdag 19 september 2012

Op zoek naar de juiste snaar

Als studente heb ik ruim vijf jaar lang op de vrijdagmiddag vrijwilligerswerk gedaan bij De Hogeweyk, toenmalig verpleeghuis Hogewey in Weesp. Daar is mijn fascinatie voor mensen met dementie en vooral mijn bewondering voor mantelzorgers, vrijwilligers én zorgpersoneel ontstaan. Ik kreeg een kijkje in de wereld van dementie(zorg) en zag hoeveel verdriet er is en pijn, maar ook dat er vele mooie, ontroerende en fijne momenten zijn.

Het aantal mensen met dementie neemt toe, dus steeds meer mensen zullen een (thuiswonend) familielid of kennis krijgen met dementie. Dat geldt ook voor kinderen. Bijzonder contact blijft mogelijk met dierbaren die dementerend zijn. Dat wilde ik beschrijven, juist over/voor kinderen, die vaak natuurlijk en op hun eigen wijze omgaan met ziekten. Dus op een dag, toen ik urenlang in de trein zat, heb ik pen en papier gepakt en ben ik gaan schrijven. Al schrijvende besefte ik dat ik nóg meer actuele boodschappen kwijt wilde in het verhaal, bedoeld voor jong en oud.

Zichtbare participatie
Zo vind ik het belangrijk te laten zien dat ouderen met een niet-Nederlandse achtergrond midden in de maatschappij staan. Oudere migranten doen actief mee. Zij zetten zich veelvuldig in voor de eigen gemeenschap, maar steeds vaker ook buiten de eigen gemeenschap. Dit is niet altijd even zichtbaar. Het is wel zo dat oudere migranten wat hindernissen ondervinden bij het participeren. Zo hebben zij minder financiële middelen, lopen soms tegen taalbarrières aan, ervaren een slechtere gezondheid en wonen in kwalitatief minder goede woningen. In het kader van het ‘EU Year of Active Ageing and Intergenerational Solidarity’ is het belangrijk dat organisaties - zoals gemeenten en aanbieders van wonen, zorg en welzijn - deze hindernissen in samenwerking met migranten(organisaties) beperken of liever nog opheffen.

Vegetarische woongemeenschap
Ook wil ik graag laten zien dat de diversiteit aan woonvormen toeneemt. Maar niet iedereen is op de hoogte van het aanbod. En daar ligt wederom een taak voor gemeenten, aanbieders en consumentenorganisaties. De Spaanse oma uit mijn verhaal gaat verhuizen naar een woongemeenschap voor vegetarische ouderen. Het aantal woongemeenschappen neemt toe. Ook deze gemeenschappen zijn divers van karakter, soms zijn zij op basis van leefstijl gevormd, soms op basis van culturele achtergrond en soms zijn er gemeenschappen van meerdere generaties samen. Het is fijn dat mensen kunnen kiezen hoe en met wie zij ouder willen worden. Steeds vaker denken burgers hier tijdig over na. Zij nemen soms zelf het initiatief. Eenvoudig is dit niet en er is veel geduld voor nodig. Maar de trend zet zich door.

Dementie-vriendelijke dorpen
De opa in het verhaal verhuist naar een kleinschalige woonvorm voor Zuid-Europese mensen met dementie. Juist mensen met dementie vinden het vaak prettig te wonen met mensen die de taal en cultuur kennen. De tweede taal raakt als eerste verloren voor mensen met dementie. Zij grijpen dan vaak terug op de oorspronkelijke taal. Dan is het fijn als personeel en medebewoners dit begrijpen.

Foto: Claudia Kamergorodski.Het aantal mensen met dementie neemt toe van 250.000 nu tot 500.000 in het jaar 2050. Een groot deel van hen zal lang thuis blijven wonen, zeker gezien de huidige en komende wet- en regelgeving. Een goede woning en woonomgeving is nodig. Brabant experimenteert nu met dementie-vriendelijke wijken en dorpen, zoals Hoogeloon. Dat is al een goed begin om voorbereid te zijn op deze groeiende groep. Ik hoop op meer kennis over dementie, meer cultuur-sensitieve zorg, meer begrip voor mensen met dementie en meer steun voor alle mantelzorgers en vrijwilligers. Samen zoeken naar ‘de juiste snaar’ zodat kwetsbaren samen met hun naasten, met hulp van vrijwilligers en met -waar nodig- professionele ondersteuning zo prettig mogelijk kunnen leven.

Meer weten?
  • 'De juiste snaar' is een kinderboek waarin de bijzondere band tussen een kleinkind en haar Spaanstalige grootouders wordt getoond. Het boekje laat op speelse wijze zien dat een kind een fijne band kan houden wanneer een familielid gaat dementeren. Het boekje is voor € 10,- te bestellen via deze link. De opbrengst van het boekje gaat naar Alzheimer Nederland
  • Een impressie van het seminar 'Meer doen met jong en oud' van 14 september j.l. leest u hier.


Door Yvonne Witter, adviseur bij het Aedes-Actiz Kenniscentrum Wonen-Zorg. Binnen het Kenniscentrum richt zij zich op de thema's: klantparticipatie, woonvariaties, kleurrijk wonen, welzijn en zorg en buur(t)projecten.

donderdag 13 september 2012

Doe-het-zelven in de zorg is in

Bijna 400 mensen zijn er 5 september naar de bijeenkomst ‘Lokale Kracht: power in wonen, welzijn en zorg’ gekomen. Dat geeft wel aan dat lokale kracht volop in de belangstelling staat. In 2006 hebben we één van de voorbeelden - zorgcoöperatie Hoogeloon - al eens uitgenodigd voor een presentatie tijdens een ProjectImpuls-bijeenkomst. De sessie vond plaats in een klein zaaltje met misschien 20 mensen. Duidelijk een niche-onderwerp, waar mijn collega Yvonne Witter het patent op leek te hebben. ‘Burgers nemen zelf het heft in handen’, die trend heeft ze goed gezien want afgelopen woensdag is een van de hallen van de Brabanthallen in Den Bosch gevuld met honderden nieuwsgierige en gedreven mensen.

“Doe Het Zelf burger organiseert nu ook eigen zorg” kopte Trouw twee weken geleden. Na collectieve acties rond energie en mobiliteit gaan burgers samen zorg inkopen en onderlinge hulp organiseren. De Volkskrant besteedde onlangs aandacht aan zorgcoöperaties in Hoogeloon en Elsendorp, twee dorpen in Brabant die zelf de zorg regelen voor hun oudere bewoners, en Stadsdorp Zuid in de Apollobuurt in Amsterdam, waar samen diensten en activiteiten worden geregeld om prettig zelfstandig te kunnen blijven wonen. Doe het zelven in de zorg is duidelijk in. Ook in de politieke arena. Luister maar naar de zorgdebatten; eigen verantwoordelijkheid, kleiner pakket, minder professionele zorg. Maar daar wordt de bal wel heel erg makkelijk bij de burger, de vrijwilliger en de mantelzorger neergelegd. De kosten in de zorg lopen op en daarom moet de burger het nu zelf maar gaan doen. Dat is niet mijn definitie van lokale kracht.

Voor mij is lokale kracht het samenspel tussen burgers, overheid en professionele organisaties (zorg- en welzijnsorganisaties, woningcorporaties en andere lokale partijen) met als inzet wonen, welzijn en zorg in de eigen omgeving zo te organiseren, dat mensen - ook als ze hulp nodig hebben - zo lang mogelijk prettig kunnen blijven wonen waar ze willen, onderdeel uit kunnen blijven maken van hun eigen sociale omgeving en een bijdrage kunnen leveren aan de samenleving. Burgers niet reduceren tot klant of doelgroep waar organisaties hun waren aan kunnen slijten maar zien als initiatiefnemers, ondernemers, eigenaren, co-creatoren.

Nieuwe kansen op congres Lokale krachtDat is wennen. Voor burgers zelf, die dachten dat eigenlijk alles wel geregeld was en ze zelf niet zoveel hoefden te doen; voor organisaties, die meenden te weten wat goed was voor de klant en nog niet zo goed weten wat ze met die actieve burgers aan moeten; en voor de overheid, die dacht dat ze eigenlijk alles wel goed geregeld had. Het blijkt heel anders te kunnen.

Door nieuwe collectieven te creëren, kunnen burgers wonen, welzijn en zorg organiseren op een manier die echt bij ze past. Ze blijken veel meer te kunnen dan ze dachten. Het realiseren van kleinschalig wonen voor mensen met dementie is niet voorbehouden aan een zorgorganisatie (in Hoogeloon doen ze het zelf), vrijwilligers en gehandicapten runnen met veel plezier een lokale supermarkt (o.a. in Westwoud in Noord Holland en Oostwold in Groningen), ervaringsdeskundigen bieden zorg en ondersteuning die weldadig is voor ontvanger en gever (luister naar de verhalen van medewerkers van Kwintes en Pameier) en een nieuwe bestemming voor een verzorgingshuis dat gaat sluiten, blijkt in goede handen bij de omwonenden (zoals in het Groningse Warffum).

Nieuwe rollen, nieuwe kansen… Maar ook nieuwe werelden die open gaan en nieuwe partners om te leren kennen. En daarom ben ik zo blij met al die actieve burgers en vrijwilligers die 5 september aanwezig zijn. Ze laten zich zien, doen inspiratie op en gaan in gesprek met professionals over de inzet van burgerkracht in wonen, zorg en welzijn. En ik ben blij dat we de bijeenkomst samen met zoveel verschillende brancheorganisaties hebben kunnen organiseren en het ons is gelukt zo veel mensen uit verschillende sectoren bij elkaar te brengen. Want lokale kracht heeft alles te maken met openstaan voor nieuwe partners, nieuwe verbindingen en nieuwe ideeën.

Als we daar, als Aedes-Actiz Kenniscentrum Wonen-Zorg, een bijdrage aan kunnen leveren, is onze missie geslaagd. We vieren dit jaar dat we 10 jaar bestaan. Een bijeenkomst als ‘Lokale Kracht’ is dus ook een beetje een feestje voor ons. Een feest van goede voorbeelden, van mensen met lef om het anders te doen en een feest van kennis delen en kennis verspreiden. En laat dat nou net onze kracht zijn.

Meer lezen?


Door Daniëlle Harkes, manager van het Aedes-Actiz Kenniscentrum Wonen-Zorg. De samenwerking tussen woningcorporaties, zorg- en welzijnsorganisaties en gemeenten en de ontwikkeling van woonservicegebieden en multifunctionele accomodaties zijn binnen het Kenniscentrum haar aandachtsgebieden.

donderdag 30 augustus 2012

De Zin van het Zintuig

Foto: Peter Dedecker Flickr.com
Op de Placa Reial in Barcelona met zijn fontein, straatlantaarns van Gaudi en wuivende palmbomen, was het gezellig druk. Alle tapas restaurantjes liepen vol, maar bij één restaurant, Les Quinze Nits, begon zich al vlot een rij wachtende mensen te vormen. Wat was daar het culinaire geheim? Was het de frisheid van de gazpacho, de nootachtige smaak van de jamon iberico, de knoflook saus bij de gamba’s of waren het de met tonijn gevulde piquillo pepertjes? Zonder mijn gebrekkige Spaans vroeg ik een willekeurige wachtende ‘Please, can you tell me, why are you waiting in this queue?’. Het antwoord was zowel amusant als verrassend ‘Well, everyone is waiting here in this queue, so, I’m waiting here too’. Ook een tweede wachtende gaf toe in de rij te staan, alleen om de reden dat andere mensen dat ook deden. Het wachten had dus niets te maken met hun persoonlijke keuze voor het restaurant. Als kuddedieren gaan we dus in de rij staan zonder te weten waarvoor en we vertrouwen voor het ware zintuiglijke genot het smaakzintuig van anderen.
Het opmerkelijke is dat we dat ook met onze huisvesting doen. We nemen zelf niet de tijd om te voelen, te luisteren, te kijken, te betasten….maar vragen direct aan een architect, een adviseur, een inrichter, een stoelenleverancier, een kleurspecialist, een geurdeskundige, een kurkfabrikant of desnoods een futuroloog wat te doen. En zij doen dan al of niet gewapend met bouwbesluit en wat NEN’s een (God zegen de) greep uit hun pakketje aangeleerde tools waarna de arme gebouwgebruikers vervolgens gemiddeld 15 jaar kunnen gaan ‘nagenieten’ al of niet met oordopjes, zonnebril of tranquillizers. 
En dat alles gebeurt terwijl elk mens, ook u en ik, is toegerust met een sensorisch hoogstandje van een verfijnd en ultiem uitgebalanceerd zintuigstelsel dat op een zuivere manier de weg toont in het labyrint van huisvestingskeuzes. Een zintuigstelsel bovendien dat zodanig is ingericht dat het ons ondersteunt in onze eigen ontwikkeling. Het enige wat we moeten doen is zelf de ogen te openen, te luisteren en te voelen. Die zintuigen kunnen we uitstekend gaan benutten om de best passende werk- en leefomgeving te kunnen aansturen.

Op 9 oktober 2012 organiseert het Aedes-Actiz Kenniscentrum Wonen-Zorg een bijeenkomst waar een methode uit de doeken wordt gedaan hoe we met onze zintuiglijke informatie kunnen sturen op een omgeving die bij ons past. Een breder beeld zal worden geschetst wat onze zintuigen exact te vertellen hebben, niet als losse op zich zelf staande informatiebronnen, maar in hun onderlinge samenhang waarbij wordt gefocust op de Zin van het zintuig. We leren daar begrijpen waarom bepaalde plekken in onze omgeving prettig aanvoelen en waarom bijvoorbeeld bepaalde werkplekken of zitjes in gebouwen altijd leeg zijn. U krijgt er ook nog een aardig boekje bij. Wie weet, tot ziens!

Meer weten?


Iris Bakker (Levenswerken) is onderzoeker aan de TU Delft en verrichtte samen met Jan de Boon (de Werkplaats gsb) jarenlang onderzoek naar de werking van de zintuigen en de mogelijkheden om via het vormgeven van de omgeving te sturen op de ervaring die de omgeving biedt. De door hen ontwikkelde methode is samen met een aantal zorgorganisaties en het Aedes-Actiz Kenniscentrum Wonen-Zorg uitgewerkt en zodanig vertaald naar de praktijk dat het breed toepasbaar is. In het boek 'Zorg voor mens en omgeving: Het zintuig als maatstaf' staan visies en achtergronden beschreven en wordt de methode aan de hand van een aantal stappen nader toegelicht.

maandag 27 augustus 2012

WijkWegenWacht helpt mensen op weg

Eigen verantwoordelijkheid. Je leest en hoort het overal. We moeten (weer) meer onze verantwoordelijkheid nemen. Zowel in de zorg voor elkaar, voor familie als voor onszelf. Corporatie Woonwaard experimenteert met andere instellingen uit het maatschappelijk middenveld en wijkbewoners met een project waarbij niet alleen burgers maar ook professionals hun verantwoordelijkheid nemen. ‘Vooral in aandachtswijken is de hoeveelheid hulpverlenende instanties groot’, aldus Monique ter Berg, beleidsadviseur bij woningcorporatie Woonwaard. ‘Wie is er dan verantwoordelijk voor wat? Hoe kunnen we effectiever en efficiënter werken dan de enorme buurt- en zorgnetwerken? Vroeger was het overzichtelijk: je had het schoolhoofd, de dokter en de pastoor. Zij werden aangesproken op hun kennis, ervaring en verantwoordelijkheid.’

Signaleringsfunctie
Foto: Chris PennartsWoonwaard kwam op het idee om in diverse wijken een beperkt aantal organisaties te vragen om samen met bewoners verantwoordelijkheid te nemen voor de signaleringsfunctie. De corporatie nam het initiatief tot een project, dat als werktitel de WijkWegenWacht heeft, om mensen op weg te helpen. Organisaties uit het maatschappelijk middenveld die in een wijk het meest te zoeken hebben, vormen het wegenwachtteam. In de ene wijk kunnen dat een wijkagent, corporatie en GGZ-instelling zijn, in de andere wijk een thuiszorginstelling, welzijnsinstelling en wijkagent.

Deze 'frontlinie' neemt de verantwoordelijkheid - binnen het gewone werk - om samen met de bewoners de ogen, oren, voeten en handen van de wijk te zijn. ‘Je slaat daarmee twee vliegen in één klap. Voor bewoners is duidelijk op welke organisatie(s) er een beroep gedaan kan worden maar ook voor de organisaties zelf is helder welke rol ze hebben: in de frontlinie of in het backoffice’, aldus ter Berg.

Hoopgevend initiatief
Foto: Chris Pennarts
In Heerhugowaard is samenwerking met de gemeente een pilot van start gegaan en nu begint de Noord-Hollandse corporatie ook in Alkmaar. In iedere wijk is de samenstelling van bewoners en problematiek anders, dus is het belangrijk te kijken wat de meest logische partners zijn in die wijk. In een sterk vergrijzende omgeving zijn andere organisaties aan zet dan op een plek waar de werkeloosheid hoog is.

Monique ter Berg verwacht niet dat het aantal burgers dat zich tijdelijk of langdurig niet alleen redt, afneemt. Zij signaleert onder andere meer thuiswonende mensen met dementie. De bezuinigingen in de GGZ en maatschappelijke opvang zal leiden tot een grotere druk op de leefklimaat in de wijk. Voor de kwetsbare burgers is het belangrijk dat er een vangnet gevormd wordt, door familie, kennissen, buurtbewoners en zo nodig professionele hulpverleners. De WijkWegenWacht is om die reden een hoopgevend initiatief.

Burgerinitiatieven
Ook burgers hebben mooie initiatieven. Op diverse gebieden. Zo begon een burger een online marktplaats rond eten: via de website www.thuisafgehaald.nl kunnen mensen zien wie er kookt in de buurt en het eten wil delen. En het initiatief ‘urban farming’ van ‘stadsboeren’ in Amsterdam-West om met buurtbewoners in biologische aarde tuintjes te onderhouden op nog niet gebruikte bouwgrond. Van een heel andere orde dan de WijkWegenWacht, maar de diverse initiatieven laten zien dat verantwoordelijkheid genomen wordt, door burgers, door ondernemers, door professionals.

Meer weten?


Door Yvonne Witter, adviseur bij het Aedes-Actiz Kenniscentrum Wonen-Zorg. Binnen het Kenniscentrum richt zij zich op de thema's: klantparticipatie, woonvariaties, kleurrijk wonen, welzijn en zorg en buur(t)projecten.

maandag 30 juli 2012

Meer dan een mooi woord voor Scrabble: Woonzorgindicatieadviseur

Het aantal verzorgingshuisplaatsen daalt de komende jaren. Wat gebeurt er met de mensen die (nog) niet in aanmerking komen voor het verpleeghuis, maar ook niet zelfstandig kunnen blijven wonen? Soms kom je dan ineens mooie ontwikkelingen tegen die een stukje van het antwoord geven. Bijvoorbeeld: de woonzorgindicatieadviseur. Woningcorporaties Woonservice Meander, Woonlinie en Woningstichting Land van Altena werken samen in een woonruimteverdelingssysteem. In de dorpen waar deze corporaties werkzaam zijn, worden bepaalde woningen gelabeld als ‘woonzorgwoning’. De woningen variëren van aanleunwoningen tot woonzorgcentra. De woonzorgindicatieadviseur begeleidt mensen die in aanmerking komen voor deze woningen van aanvraag tot acceptatie van de woning.

Meedenken
Foto Willem Mes PhotographyTrudy Roubos is woonzorgindicatieadviseur. Zij blijkt een hartelijke en doorgewinterde oud-wijkverpleegkundige, in dienst van welzijnsorganisatie Trema. Jarenlang werkte zij in de wijk en bezocht en ondersteunde er heel wat gezinnen. Nu doet zij dat nog steeds, maar dan als woonzorgindicatieadviseur. Zij verzorgt een woonzorgindicatie voor deze mensen en kijkt samen met hen naar de woonwens. Ze helpt met het formuleren van die woonwens en blijft ook daarna in contact met hen.

Door haar brede blik, haar grote ervaring, kijkt Trudy naar het totaalplaatje. ‘Als op een derde verdieping een 81-jarige oudere met reuma denkt dat een aanvraag voor een traplift voldoende is, dan kijk ik samen met de bewoner of dat inderdaad de meest geschikte oplossing is gezien haar toekomst met beroep op zorg. Vaak blijkt verhuizen naar een woonzorgcomplex een betere oplossing voor de specifieke zorgvraag van deze oudere. En soms merk ik dat mensen wel een andere woning willen, maar dat verhuizen het werkelijke probleem niet oplost.’

Foto Chris PennartsWonen op maat
Trudy geeft mensen een woonzorgindicatie als zij met de bewoner tot de conclusie komt dat verhuizen naar een woonzorgcomplex passend is. Voordeel van deze werkwijze voor de corporatie is dat de juiste mensen op de juiste plekken wonen. Zorgorganisaties kunnen zorg geconcentreerd aanbieden en bewoners wonen in een toegankelijke woning met passende voorzieningen en activiteiten in hun omgeving. Trudy hoort en ziet veel en merkt veranderingen die plaatsvinden in de samenleving als geen ander op. Zo signaleert zij dat het aantal mensen met een psychische beperking die thuis wonen toeneemt, door strengere wet- en regelgeving. Zo werd zij door een vrouw gebeld die zich zorgen maakte om haar broer. Met wat uitzoekwerk en het inschakelen van haar contacten kon de man naar het wooncomplex verhuizen, mét begeleiding.

Jantje-mooi-weer
‘Er zijn veel meer mensen met een psychische beperking dan je denkt. Vooral in de leeftijd van 50 tot 70 jaar. De zogenoemde ‘Jantje-mooi-weer-types’. Dat zijn mensen die altijd roepen: ‘ lekker weertje he?’ Maar die eigenlijk weinig zelfredzaam zijn, terwijl dat niet echt opvalt. In die tijd dat zij jonger waren, werden er niet veel diagnoses gesteld als tegenwoordig wel het geval is. Nu zorgen nóg oudere ouders voor deze mensen, of een broer of zus. Maar dat houdt op als de ouders overlijden en de andere familieleden hulpbehoevend worden. Ik merk dat deze groep groeit en wat zwervend is.’

Ook treft Trudy steeds meer mensen met beginnende of zelfs gevorderde dementie die thuis wonen. Die helpt zij op weg naar de juiste voorzieningen of verwijst ze door naar dementie-consulenten. Een woonzorgindicatieadviseur vult niet de gaten die er in het aanbod zijn, maar kan er wel voor zorgen dat mensen een passende woning vinden, de juiste voorzieningen krijgen. De adviseur kan mensen informeren en op weg helpen. Dat is nu hard nodig. Om te voorkomen dat mensen tussen wal en schip raken.
Meer weten?


Door Yvonne Witter, adviseur bij het Aedes-Actiz Kenniscentrum Wonen-Zorg. Binnen het Kenniscentrum richt zij zich op de thema's: klantparticipatie, woonvariaties, kleurrijk wonen, welzijn en zorg en buur(t)projecten.

woensdag 6 juni 2012

Zoen- en zoefstroken brengen jong en oud in beweging

'Leuk, we gaan zaterdag naar oma!', juichte een meisje uit mijn straat. Zij is net tien geworden. 'Dan ga ik daar eerst even op de computer want oma geeft zo'n gaaf spel. Daarna met oma voetbal kijken. Maar ook nog even samen rennen in het park.' Kijk, dat vind ik nu bemoedigende opmerkingen. Zeker in het EU jaar waarin 'Active Ageing and Intergenerational Solidarity' centraal staat. Op de Corporatiedag van Aedes, vereniging van woningcorporaties, woonde ik een workshop over sport en bewegen bij.

Buurten in beweging
Het Nederlands Instituut voor Sport en Bewegen (NISB) probeert buurten letterlijk en figuurlijk in beweging te krijgen. De medewerkers van het NISB zien sport en bewegen als instrumenten om maatschappelijk urgente problemen als eenzaamheid, onveiligheid en integratie aan te pakken. Zij geloven dat sport en bewegen bijdragen aan de verbetering van leefbaarheid in de buurt. Ik geloof dat het generaties bij elkaar kan brengen. Met name kinderen en ouderen zijn vaak in hun eigen buurt actief. Speeltoestellen kunnen door jong en oud benut worden. Het NISB heeft een programma met sportcoaches. Jongeren krijgen een opleiding tot sportcoach en organiseren activiteiten in de buurt. De resultaten van dit project zijn positief. Er is minder schooluitval, minder overlast in de buurt door jongeren en het bevordert een gezonde leefstijl. 

Brede stoepen en voldoende bankjes
Verder kwam tijdens de sessie ook BVO aan bod en daarvan werd ik zo mogelijk nog enthousiaster: Beweeg Vriendelijke Omgevingen! Hoe kun je wijken zodanig inrichten dat zij uitnodigen om te bewegen? Een brede stoep waar veel zon komt, heeft al een gunstig effect. Kinderen gaan daar namelijk vaker spelen. Ouderen bewegen meer als zij weten dat er voldoende bankjes zijn om uit te rusten. Vanzelfsprekend is een schone, toegankelijke en groene omgeving ook prettig om in actie te komen. Een beetje speelse uitdaging kan ook helpen: in Stockholm zijn de trappen van het metrostation omgevormd tot pianotoetsen. Met geluid! De roltrap heeft daar het nakijken want jong en oud neemt de pianotrap.

NISB/Jan Schartman
Zoenen en zoeven in Enschede
Dichter bij huis zijn ook inspirerende voorbeelden te vinden, zoals in de Enschedese wijk Roombeek. Daar is een zoen- en zoefstrook nabij een school gemaakt. Voor en na school kunnen ouders hun kinderen afzetten en daarna is deze strook 'gewoon' een atletiekbaan. Daar rennen en spelen de kinderen volop. In deze wijk is er voor gezorgd dat kinderen veilig naar school kunnen lopen. Verder is de wijk zodanig ingericht dat het met de fiets makkelijker en sneller gaat om ergens te komen dan met de auto.

Beweegtuin
NISB/Colijn van Noort
Er zijn veel speelmogelijkheden voor alle leeftijden. Maar soms is het fijn om mensen een duw in de rug te geven: in Bennekom gaat een fysiotherapeut met ouderen aan de slag in een beweegtuin voor ouderen. In de beweegtuin staan speel- en sporttoestellen die voor ouderen prettig zijn. Daarna wordt er gezamenlijk koffie gedronken. Het sociale aspect is zeker niet onbelangrijk. Individueel gaan ouderen niet zo snel aan de toestellen bungelen, blijkt uit de praktijk. Of er moet een kleinkind meegaan, zoals het meisje uit mijn straat.

Rol WWZ-organisaties?
Hebben corporaties en zorg- en welzijnsorganisaties hier een rol in? Als er al aanbod is, dan is het niet handig iets nieuws te beginnen. Maar aanbieders kunnen kijken waar verbinding mogelijk is, zodat afstemming en zichtbaarheid plaatsvindt. Sportclubs kunnen bijvoorbeeld aanbod ontwikkelen op braakliggend terrein! Gemeenten en aanbieders van wonen, zorg en welzijn kunnen allianties aangaan met sportaanbieders. Daar liggen kansen. En geld! Door een subsidiemaatregel in het kader van het programma Sportimpuls kunnen partijen in samenwerking met sportaanbieders financiële ondersteuning krijgen bij diverse programma's. Een mooie kans, lijkt me in deze financieel krappe tijden.

Braakliggend terrein 
In de workshop geven deelnemers aan dat zij niet zo snel gedacht hebben aan sport en bewegen als instrument. Een deelneemster van een corporatie uit Almelo zegt dat zij kansen ziet, omdat er veel braakliggend terrein is in haar stad en sporten en bewegen kan helpen het imago van een buurt op te poetsen. Andere deelnemers hoor ik geanimeerd praten over die zoen- en zoefstrook. Dat is toch uitnodigend voor jong en oud? Misschien roepen kinderen dan voortaan: 'Joepie, we gaan naar oma! Even zoenen en zoeven bij haar in de buurt!'

Meer weten?
  • Op de bijeenkomst Lokale kracht op 5 september geeft het NISB een workshop over 'beweegvriendelijke wijken'. Ook is er aandacht voor het programma 'Meer Bewegen voor Ouderen' van de ouderenbonden.
  • Het Aedes-Actiz Kenniscentrum Wonen-Zorg komt na de zomer met een overzicht van voorbeelden van projecten die sport en bewegen en wonen samenbrengen. 

Door: Yvonne Witter, adviseur bij het Aedes-Actiz Kenniscentrum Wonen-Zorg. Binnen het Kenniscentrum richt zij zich op de thema's: klantparticipatie, woonvariaties, kleurrijk wonen, welzijn en zorg en buur(t)projecten. 


donderdag 19 april 2012

Wat doe jij voor de maatschappij?

‘Het is hoog tijd om sociale dienstplicht voor ouderen in te stellen’. Deze gewaagde uitspraak viel tijdens het boeiende debat dat ActiZ vorige week organiseerde in het kader van de veelzeggende campagne ‘Het nieuwe ouder worden’. Een senior, actief bij de landelijke ouderenbonden, pleitte tijdens dit debat voor het verplichten van ouderen zich in te zetten voor de maatschappij. Dat zette me aan het denken. Is dat een oplossing voor de verschraling van de zorg? Voor het toenemend aantal kwetsbare burgers? Dat aantal lijkt te gaan groeien, juist door die verschraling, de beleidsveranderingen. In de krant staan de laatste tijd meer berichten van acties door gemeenten om ook wat van burgers terug te verlangen…

Nu is het zeker waar dat er de komende jaren veel handen nodig zijn, zowel aan het bed als ervoor. Denk aan het begeleiden van ouderen naar allerlei activiteiten, het gezelschap houden van mensen, op pad gaan met mensen met beperkingen. Het aantal ouderen groeit, er dreigt personeelstekort en door het verschralen van met name welzijnsvoorzieningen vallen mensen tussen wal en het schip. Juist de groep die nu gebruik maakt van voorzieningen die wegbezuinigd worden - mensen met een psychische beperking en mensen die het net (niet) redden - wordt het hardst geraakt. Zij zouden gebaat kunnen zijn bij vrijwilligers die hen bijstaan, waar nodig met professionele ondersteuning.

Actieve ouderen
Zou het helpen om mensen te verplichten zich in te zetten? Doen juist de ouderen al niet ongelooflijk veel, al dan niet in georganiseerd verband? Via de kerk, via verenigingen of in familieverband zijn er veel actieve ouderen. Even op de kleinkinderen passen, vaak structureel, soms incidenteel. Even een boodschap voor de buurvrouw of op ziekenbezoek bij kennissen. Dat gebeurt echt heel veel. Gelukkig!

Bij de ouderenbonden zijn veel actieve vrijwilligers die bewonderenswaardig veel uren in hun werk stoppen. Zo heb ik regelmatig contact met een actief ouder echtpaar, mijnheer en mevrouw Hartogs. Ze zijn actief bij de Sesam academie, zitten in cliëntenraden en participeren in werkgroepen van ouderenbonden en wijkoverleggen. Fascinerend en bewonderenswaardig. Ze gaan jaarlijks op vakantie met een dementerende schoonzus om diens partner te ontlasten. Daarnaast gaan ze regelmatig zelf een weekend weg, bezoeken kunsttentoonstellingen en waren ook aanwezig bij het ActiZ debat. Zoals zij hun leven inrichten, vind ik echt prachtig. Het past bij hen. Zo zie ik het mezelf ook doen, idealiter. Maar het is niet voor ieder weggelegd.

De juiste aanpak
Het daadwerkelijk verplichten van ouderen zich in te zetten lijkt mij wat ver gaan. Maar ik denk dat meer ouderen zich kunnen inzetten. Ik ben er van overtuigd dat als je mensen – jong en oud, met en zonder beperking - aanspreekt op hun talenten, kennis en kwaliteiten, zij zich zeker willen inspannen. Meer dan nu gebeurt. Er zijn soms wat belemmeringen om te participeren, variërend van het ontbreken van financiën tot allerhande vaardigheden. En nog vaker: doordat mensen niet gevraagd zijn. Die belemmeringen zijn vaak op te lossen met de juiste aanpak.

Wat houdt die aanpak in? Nou, dat is vaak vrij eenvoudig: als organisaties aansluiten bij wat mensen kunnen en willen, dan zijn er genoeg vrijwilligers te vinden. Binnen zorgorganisaties kunnen familie, vrienden en buren ook goed meehelpen, als er duidelijke en open afspraken zijn met professionals. En goede communicatie over verwachtingen over en weer!

Goed voorbeeld doet goed volgen
Buiten de zorgorganisaties is ook veel mogelijk. Daar zijn talloze voorbeelden van, zoals het project in ‘Buren voor Buren’ in Pendrecht en het project ‘Welzijn op recept’ in Nieuwegein (overigens staan dergelijke voorbeelden ook centraal tijdens de bijeenkomst Lokale kracht; power in wonen, welzijn en zorg van het Aedes-Actiz Kenniscentrum Wonen-Zorg op 7 juni). Goed vrijwilligersbeleid is essentieel, maar ook: bekendheid geven aan aansprekende lokale initiatieven, mensen uitdagen en aanspreken op hun talenten, aansluiten bij wensen van de moderne ‘flex’vrijwilligers. Ook zal het gezegde ‘goed voorbeeld doet goed volgen’ gaan gelden. Het lijkt nu al hip te worden: mensen praten al vaker met elkaar over hun bijdrage aan de samenleving. Ik hoor dit steeds vaker in de trein. Gesprekken in de trant van ‘wat doe jij eigenlijk voor de maatschappij?’. Hoe meer je doet, hoe hipper, zo lijkt het wel.

Nu de noodzaak groter wordt en mensen zich meer inzetten, is het meer gemeengoed aan het worden. Dan is verplichting niet meer nodig… En toch is en blijft het, los van het feit dat vrijwilligers nu en in de toekomst hard nodig zijn, óók zaak te investeren in het vinden van voldoende en gekwalificeerde professionele zorg. Want lijfelijke zorg bijvoorbeeld, dat is voor de meeste mensen het prettigst als dat door professionals wordt geboden en niet door vrijwilligers. De vraag hoe het prachtberoep van professioneel zorgverlener weer aantrekkelijker wordt, heeft mijns inziens nóg meer prioriteit dan de vraag of sociale dienstplicht voor ouderen ingevoerd moet worden.


Door Yvonne Witter, adviseur bij het Aedes-Actiz Kenniscentrum Wonen-Zorg. Binnen het Kenniscentrum richt zij zich op de thema's: klantparticipatie, woonvariaties, kleurrijk wonen, welzijn en zorg en buur(t)projecten.

vrijdag 16 maart 2012

Cohousing, Europese revival van een sociaal sterk concept

Internationale aandacht voor gemeenschappelijk wonen

Op uitnodiging mocht ik als gastspreker in het weekend van 11 maart 2012 een internationale conferentie in Tours bijwonen over “self-managed cohousing”. In goed Nederlands: gemeenschappelijk wonen in zelfbeheer. Lidewij Tummers, een Rotterdamse architecte die verbonden is aan de TU Delft en al jaren zeer begaan met dit onderwerp, kreeg als gastonderzoeker bij de Universiteiten van Tours en Orléans de kans om kennis over dit thema uit heel Europa bijeen te brengen. En dat deed ze.

Cohousend Europa
In het kader van Le Studium en haar betrokkenheid bij alternatieve manieren van omgaan met vastgoed trof heel cohousend Europa elkaar. Van Luc Jonckheere uit België tot Marta Corubolo uit Italië en Michael Lafond uit Berlijn. Een speciaal onderdeel van het programma was gereserveerd voor Adri Duivesteijn en Jaccqueline Tellinga die het verhaal van het Homeruskwartier in Almere kwamen vertellen.

De conferentie vond plaats in het oude Hotel de Ville van Tours, een fenomenaal gebouw dat de conferentie een grandeur verleende dat voor Nederlandse begrippen ongekend was.
Wat zeer frappant bleek te zijn, was dat het Lidewij gelukt is om in het hart van Frankrijk een conferentie in het Engels te organiseren. Iets dat voor Franse begrippen uniek is. Voor een aantal Fransen bleek het helaas ook onverteerbaar en was het een reden om weg te blijven.

Revival van cohousing
De conferentie kende een programma met boeiende presentaties van mensen die dicht op de dagelijkse praktijk van cohousing zitten tot puur wetenschappelijke studies en boekpresentaties. De sprekers waren het roerend met elkaar eens dat er sprake is van een “revival”. Cohousing ademt voor velen nog de sfeer van de jaren tachtig en dat geldt voor de meeste Europese landen.

Groeiende belangstelling voor gemeenschappelijk wonen
Het gemeenschappelijk wonen kent echter een groeiende belangstelling. In de loop van de negentiger jaren is de belangstelling voor cohousing afgenomen maar sinds een jaar of vijf zit deze woonvorm duidelijk weer in de lift.
Dit signaleert het Aedes-Actiz Kenniscentrum Wonen-Zorg overigens ook. Al in december 2008 organiseerde het kenniscentrum een kenniscafé over dit onderwerp naar aanleiding van het boeiende rapport ‘Gemeenschappelijk wonen op leeftijd’ van Verwey-Jonker Instituut.
Dit jaar gaat het Kenniscentrum ook activiteiten rond dit thema ontwikkelen en dat lijkt me gezien de groeiende interesse in binnen- en buitenland een goede zaak.

Met gebouwde omgeving sociaal gedrag beïnvloeden
De toenemende aandacht blijkt regelmatig in de media maar zoals op deze conferentie bleek, wordt tegenwoordig ook erg veel onderzoek naar cohousing gepleegd. Wat voor velen erg boeiend is, zijn de mogelijkheden van cohousing om invloed uit te oefenen op het sociale gedrag van de bewoners. Kan de gebouwde omgeving zó ontworpen worden dat deze een positieve uitwerking heeft op het sociale gedrag van de mens? En hoe organiseer je het proces van de totstandkoming van huisvestingsprojecten?

Annet Ritsema sprak over de “intermediate size” om aan te geven dat de schaal van projecten wezenlijk is op het welzijn van de bewoner. Voor professor Yves Cabannes (University College London) ligt de sleutel in de coöperatieve aanpak door bewoners zelf.

Toenemend individualisme
Over de reden van de revival, en daarmee de relevantie van het onderwerp, werd veel gesproken. Wellicht is het een reactie op het toenemende individualisme in de laatste decennia. Maar het kan ook te maken hebben met de elkaar opvolgende crises of de verrechtsing in Europa. Duidelijk was wel dat er volop positieve kansen in cohousing schuilen en er een enorme potentie voor deze woonvormen bestaat.

De tweedaagse conferentie heeft veel nieuwe inzichten opgeleverd. Cohousing komt het meest voor in Duitsland, Denemarken en Nederland. Daar hebben we het over duizenden projecten. In België en Zweden komen enkele honderden projecten voor. In Frankrijk gaat het slechts om tientallen. En in landen als Noorwegen is het daarentegen vrijwel onbekend.

30% Europese bevolking interesse in cohousing
Uit onderzoek blijkt ook dat in bijna alle Europese landen zo´n 30% van de bevolking interesse heeft in cohousing. Een positieve uitzondering daarin is Italië waar meer dan de helft voorstander is van deze woonvorm. Toch woont op dit moment slechts 0,3% van alle mensen in een gemeenschappelijke woonvorm.

Uit de internationale contacten blijkt ook dat er veel begripsverwarring bestaat over cohousing. Cohousing in België is iets anders dan cohousing in Duitsland, Nederland of Engeland. Habitat groupé, Centraal wonen, Mietkasernen, allemaal begrippen die vormen van Cohousing kunnen zijn. Maar dat niet voor iedereen zijn.
Ik dacht, laat ik voor 1 keer de wijste zijn. En nu eens een keer niet met het eigen concept "Karakterpanden" voor de dag komen. Dat doe ik een volgende keer wel weer.
Bernard Smits

PS. Lees ook de tekst van mijn bijdrage op de conferentie

Bernard Smits is directeur van de Woningbouwvereniging Gelderland (WBVG). Kenmerkend voor de panden van deze kleine woningbouwvereniging is de grote mate van zelfbeheer en betrokkenheid. De WBVG bezit uitsluitend projecten gemeenschappelijke wonen en heeft bijzondere aandacht voor de sociale component: gezamenlijke activiteiten en zorg voor elkaar.



maandag 5 maart 2012

Welzijn op recept


"We zitten in een sociale spagaat", aldus Dennis Duiker, directeur van Movactor, een bijzonder goed functionerende welzijnsorganisatie, actief in Nieuwegein en Woerden. Hij bedoelt hiermee dat we langer doorwerken, maar tegelijkertijd ook meer zorg bieden. Althans, dat zijn de verwachtingen gezien de toekomst waarin er meer ouderen komen, minder personeel beschikbaar is en bestaande regelingen versoberen. Duiker heeft een aansprekende visie om niet uit te scheuren bij deze spagaat. Het gaat erom dat we individu en samenleving motiveren en toerusten. Hij ziet drie oplossingen om mensen toe te rusten iets voor elkaar te betekenen én het mentaal vermogen van mensen te versterken. 

Sociaal contact bevordert ons welzijn.
Foto: Chris Pennarts
Sociale verkeerspleinen
Als eerste wil hij meer ‘sociale verkeerspleinen’ in de wijk creëren. Plekken waar mensen elkaar kunnen ontmoeten, waar mensen gastvrij ontvangen worden. In het restaurant Fair’s gesitueerd in het stadhuis van Nieuwegein werkt vriendelijk personeel. Van groot belang en behoort tot de dimensie ‘toegankelijkheid’. Dat wordt nog wel eens onderschat! 

Gelegenheid bieden voor inzet
Ten tweede is het belangrijk om mensen de gelegenheid te bieden zich in te zetten (‘gelegenheid’ bieden) en te ondersteunen (‘capaciteit’). Je moet in twee opzichten dus ‘kunnen’. De gelegenheid hebben en het kunnen qua capaciteit. Zo kan mevrouw Jansen met Parkinson misschien de kinderen van de heer van der Brink naar school brengen zodat hij zijn buurman kan helpen voordat hij naar zijn werk gaat.

Versterken mentaal vermogen
Ten derde is het versterken van het mentale vermogen van mensen essentieel. Dat is de basis voor maatschappelijke ondersteuning.  Hij baseert zich onder andere op het boek ‘Mentaal vermogen. Investeren in geluk’ van Jan Auke Walburg. Iets betekenen voor een ander, (vrijwilligers)werk, gezond leven en sociaal contact. Duiker meent dat we meer moeten kijken naar kwaliteit van leven, dat we arrangementen bieden en meer verbinding zoeken tussen wonen, zorg en welzijn. Zo kent hij een praktijkvoorbeeld van  een alleenstaande oudere man die dankzij de cursus ‘mannen met pannen’ nu in een nabijgelegen buurthuis voor bezoekers kookt. Terwijl hij na het overlijden van zijn vrouw de eerste jaren geen pan heeft aangeraakt omdat hij dat in zijn leven nog niet eerder had gedaan. Hij slikte pillen tegen van alles en was ‘chemisch gelukkig’.

Welzijn is onderdeel zorg
Het verbinden van deskundigheden in wonen, zorg en welzijn  krijgt in Nieuwegein vorm via de nauwe samenwerking met gezondheidscentrum Roerdomp en EMC Nieuwegein. Dennis Duiker werkt heel nauw samen met Jan Joost Meijs en Karen de Groot van Gezondheidscentrum de Roerdomp en Erik Asbreuk van EMC Nieuwegein. Zij investeren in preventie en menen dat welzijn een essentieel onderdeel is van zorg en lang voor indicatie begint, maar ook daarnaast een grote rol blijft spelen. Misschien wel de grootste.
 
Behoefte aan contact en zingeving
De huisartsen merkten dat zeker een derde van hun patiënten met ‘vage’ klachten op het spreekuur kwamen, waarbij duidelijk was dat zij behoefte hebben aan contact en aan zingeving. Het idee om de banden met welzijnsorganisatie aan te halen was geboren. Met deze methode gaan mensen die bij de huisarts komen met psychosociale klachten meedoen aan welzijnsactiviteiten zoals bewegen, creatieve activiteiten of met elkaar koken en eten. De huisarts verwijst dus door naar deze activiteiten. Mensen maken dan zelf een keuze uit een welzijnsarrangement. En verhogen uiteindelijk zelf hun welbevinden. 

Methode Welzijn op recept
De methode ‘Welzijn op recept’ is op basis van dit idee en samen met Jan Walburg ontwikkeld. Er vindt nu onderzoek plaats naar de effecten van deze methode. Eind 2013 is dit onderzoek gereed. Zorg en welzijn zitten helemaal op één lijn in Nieuwegein. Ik meen dat samenwerking met de eerstelijnszorg ook in de rest van Nederland meerwaarde biedt.



Door Yvonne Witter, adviseur bij het Aedes-Actiz Kenniscentrum Wonen-Zorg. Binnen het Kenniscentrum richt zij zich op de thema's: klantparticipatie, woonvariaties, kleurrijk wonen, welzijn en zorg en buur(t)projecten.